zaterdag 6 juli 2019

Tijd


Een specht roffelt zijn zang, terwijl de meeste zijn uitgezongen. De jongen zijn de deur uit en het territorium kan worden opgeheven. Het is alsof deze specht goede herinneringen heeft aan deze lente en deze ophaalt door nog wat na te roffelen. Er breekt nu een stille tijd aan waar de vogels ook hun zang gaan staken en voor sommige is het ook de tijd om te ruien. Voor mij een kans een veer of wat te vinden. Bijna elke veer die ik op raap, die een vogel verruilt voor een nieuwe en de afgedankte veer voegt zich bij mijn verzameling, in een schoenendoos. De meeste veren komen van duiven, maar er zitten ook veren van spechten en van de Buizerd bij, Eksters en Kauwtjes, de fijne veertjes van de Huismus en de mooie blauw/zwart kleine veertjes van de Vlaamse Gaai. De schoenendoos raakt in de loop van de tijd behoorlijk vol met deze trofeeën. Een enkele veer doet niet veel, maar een stel aan de vleugels, stelt in staat om te vliegen. Vederlicht de weerstand van de lucht gebruiken om op te stijgen en vaardig door het luchtledige te bewegen.
Een regelmatige bries doet het bos ruizen en de planten en het gras op de grond heen en weer wiegen. We lopen verder en slaan een pad in waarlangs varens groeien. Een plant die op sommige plekken even hoog is als ik lang ben. Prehistorisch aandoende planten, waar met niet veel moeite een dinosaurus bij gefantaseerd kan worden. In het vroege voorjaar begint deze plant helemaal bij het begin en komt als een rolfluitje weer boven de grond waar hij de winter heeft doorgebracht. Het dichte woud dat deze planten met elkaar vormen, biedt een goede schuilplaats voor wat zich maar wil verschuilen, zoals van de week dat vosje dat het pad zou oversteken, maar ons gewaar werd en rechtsomkeer de beschutting van de varens weer opzocht. Af en toe horen we de varkens daar scheumen en als kind zou ik daar een hut in willen maken, verscholen tussen het dichte groen van de varens.

Het bos wordt doorsneden door paden en tussen die paden ligt het bos, daar leeft het bos leven. De paden zijn ons domein waar ook verwacht van wordt daar op te blijven. Het is nooit druk op de paden en sommige paden liggen er al zo lang. Oude paden waar mensen langskwamen met hun gedachten, die ze met zich meenamen en overdachten en zoals een muntje uit een versleten broekzak kon rollen, ontglipte ook menig gedachte en raakte kwijt in het gras langs de paden, zonder dat niemand ze ooit terug kon vinden, simpel omdat er niet meer naar gezocht werd. Wat zou het zijn deze gedachten op te kunnen graven uit de tijd die het laag op laag verborgen heeft gehouden. Liggen er ook nog ergens gedachten van mij, van de tijd dat ik daar ook zo vaak langs kwam? Wat zou je over de tijd te weten kunnen komen als die gedachten door een klein apparaat opgegraven zouden kunnen worden en er eens naar kunnen luisteren waar mensen uit een verre tijd zich mee bezig hielden. Hoeveel gedachten van verlangens en van vreugde, maar ook van verdriet zullen daar kunnen liggen? Maar ach wat gaat mij dat aan, het waren hun gedachten en ik heb genoeg aan mijn eigen gedachten. De gedachten die ik kwijt ben geraakt zijn waarschijnlijk ook de gedachte die ik niet langer bij me wilde hebben. Laat die maar mooi liggen in de vervlogen tijd.

woensdag 6 maart 2019

Boekenkast


Het is mijn tweede bezoek aan de Orthomanuele arts. Als ik de wachtkamer binnenkom ga ik weer op dezelfde stoel zitten als verleden keer tegenover een enorme boekenkast met mooie sierranden. De kast reikt tot aan het plafond en staat vol met boeken. De boeken staan gerangschikt op grote en waarschijnlijk staan, als er een schrijver is met meerdere titels, die ook bij elkaar. Ik zit er te ver van af om dit te kunnen bekijken, maar dat kan ik me zo voorstellen. Het moet voor elk van die schrijvers toch een eer zijn dat ze een plek hebben in zo’n mooie boekenkast en in deze entourage. Boeken die stuk voor stuk zijn aangeschaft, gelezen en toen hun plek kregen in deze kast. De wachtruimte heeft één raam die uitziet op de tuin, waar een Rododendron het uitzicht op de rest van de tuin wegneemt. Het huis waar deze arts zijn praktijk heeft, staat in het bos en ademt de sfeer van James Herriot uit. De deurknoppen zijn van hout en zet je in een andere tijd, een tijd die allang verdwenen is en hier nog een klein restje van behouden heeft,  het is er stil, maar het wachten in deze ruimte is plezierig. Gestommel uit de andere ruimte en afwachten tot je geroepen wordt naar de spreekkamer. Een bureau met een enorme kaartenbak, waar er ook één van mij in zit. Geen computer, maar een pen die aantekeningen maakt op mijn kaart. De spreekkamer met de behandeltafel, een klein scherm in de hoek waar je je achter uit kan kleden, het uitzicht door het raam op de tuin, de vaardige handen van de arts die hier en daar op een wervel duwt en drukt, een klopje met een hamertje op het bekken geeft,… en kleedt u zich maar weer aan. Dit was de tweede en tevens laatste behandeling, dit moet afdoende zijn. Een handgeschreven kwitantie, met het verzoek dit over te maken en ik loop langzaam de gang uit en ga  door de deur naar buiten, alsof ik door een tijdmachine weer terug ben in mijn eigen tijd.