maandag 25 mei 2026

Buiten

Het is nog donker, maar in het oosten begint de hemel al iets te ademen. Een dunne streep licht schuift over de horizon.

 Een Merel zingt. De stem van de Roodborst voegt zich bij hem, twee stemmen die de dag open zingen.  Straks, als het lezen en schrijven in dit dagboek is gedaan, wil ik met de hond naar buiten. Het licht tegemoet. Een gewoonte die ik van eerdere lentes en zomers heb geleerd te doen, want in het frisse van een nieuwe dag zingen de vogels het mooist. Daar wil ik graag bij zijn. 

Bij zonsopkomst lijkt de lucht vol goden en legenden. Het voelt dan om getuige te zijn van de geboorte van de wereld, het opstaan van een nieuwe dag. Alles is nog vloeibaar. Wie het aanbreken van de dag ziet, ziet hoe het leven zich ontvouwt. 

Ik merk dat mijn lichaam al vooruit wil, om op te staan uit mijn stoel, naar buiten gaan. De nieuwe dag in haar ontstaan mee te maken in dit vroege uur, als toeschouwer en deelnemer tegelijk.  Door het portaal te gaan. Dat toegang geeft tot nieuwe mogelijkheden en rijkdommen van het leven.

“Wees als de ochtendzon, laat hem zonder ophouden opkomen in jezelf als een verhelderend weldadig licht”. Lees ik nog in mijn boekje. Het nodigt me uit… 

Ik blaas de kaarsen uit. 

Trek mijn schoenen en mijn jas aan, roep de hond en we gaan naar buiten. Het licht tegemoet.   

donderdag 21 mei 2026

Taal

Een mot tikt buiten tegen het raam. Aangetrokken door het licht van hierbinnen. Zoals de mot het licht zoekt, zoek ik naar woorden. Woorden komen traag. Ze moeten door lagen heen, door de adem van stilte. Door de dunne huid tussen binnen en buiten en door de sluiers van gedachten opzij te schuiven. Ik probeer woorden te vinden die ik opdoe in wat ik lees. Wat ik wil zeggen houdt zich verborgen tussen de regels, dat stille gebied waar betekenis niet wordt uitgesproken. Waar taal nog geen vorm heeft,

Mijn pen weigert. De inkt is op. Verteld het mij dat ik eerst moet luisteren voordat ik verder schrijf?  Luister eerst, om de taal ruimte te geven te ontstaan. Engelen gebruiken niet alleen woorden, maar beroeren ook de snaren van je gevoel. Om te voelen wat gezegd wordt in het zwijgen.

Ik vervang de stift uit de pen, vol met nieuwe inkt.

 De inkt zijn niet de woorden, maar het voertuig. Schrijven is een ritueel: de beweging van de hand naar het papier. Mijn blik valt op de schaduw van mijn hand op het papier, wat me aan mijn lichaamstaal herinnert. De manier waarop mijn vingers aarzelen, hoe mijn adem even stokt voordat ik een zin begin, met de nieuwe inkt, uit een oude pen.

Dieren spreken een andere taal en de planten zonder stem, de wind in toonaarden van fluistert naar bulderend. Alles heeft zijn eigen woordenschat:  geur, kleur beweging en trilling. Een taal die niet gehoord hoeft te worden om te verstaan.

Ik probeer mij ervoor open te stellen; om te ontvangen. Te voelen wat er gezegd wordt in het zwijgen. Het tikken van de mot tegen het glas, de adem van de nacht om het huis. In de beweging van mijn hand die met de pen woorden geboren laat worden. Misschien is het niet in de woorden zelf, maar het open staan voor wat spreekt.

 

woensdag 20 mei 2026

Tijd

De tijd stroomt als bloed door de aderen, om voeding te geven aan het leven zelf.

Adem dat door de longen reist,  kloppen van het hart, gedachten in het hoofd. Het ritme van wat was en het spoor waar ik ben geweest.

Het spoor leidt door de nacht, het oord van gedroomde dromen. De droom waar ik de acteur ben van mijzelf, of zijn het de goden die in mijn droom dromen dat zij mens zijn en hun zwakheden uitleven? 

Ik vind het moeilijk te begrijpen om met mijn  innerlijk vermogen dat te kunnen doorzien. Het is nog zo weinig ontwikkeld dat ik de helderheid van sommige openbaringen aanzie, alsof het duisternis  is.

Mijn smaak en mijn voorkeuren zijn bepalend voor wie ik ben en hoe de tijd mij ruimte geeft om dat te ervaren.

Proef het leven, en door te proeven leer ik mijn smaak kennen, en de herinnering eraan doet verlangen naar het volgende moment.  Om dat wat je als smaak hebt ontwikkeld weer eens te proeven.

 

maandag 18 mei 2026

Vleugels

Er valt een stilte. Soms lees ik een zin en weet niet wat ik eruit moet verstaan. Is het deze stilte die ruimte maakt? Ruimte voor wat eerder overstemd werd, zoals lawaai het zachte onhoorbaar maakt?

Lezen doe ik in stilte. Soms stop ik even, fluister de zin opnieuw. Door mijn stem te horen, benadruk ik wat ik zojuist las. De trilling van mijn stem beroerd de ether en door die trilling verschijnen beelden; visioenen en taferelen uit de geschiedenis van de geest. Beloften van toekomstige scheppingen. Woorden waaruit nieuwe woorden, gedachten waaruit nieuwe gedachten ontstaan.

De geest wil leren vliegen. Jonge vogels op het nest, oefenen hun vleugels. Ze zien bij de oudervogel dat het voor hen ook mogelijk is te vliegen. Zo werkt het ook met de geest, het leert door voorbeeld.

Om te vliegen is de vogel uitgerust met veren, vederlichte veren, die het gewicht van de vogel in de vleugelslag kan tillen. Niet alleen om zich voort te bewegen, maar in de lucht in meerdere dimensies zich te begeven, hoog en laag, wendbaar en snel. Het kleinste vogeltje kan het luchtruim kiezen, als ook de zwevende arend die hoog cirkelt in de lucht. 

Laat mijn geest de veren aangroeien. Te leren vliegen als een vogel, te leren zweven als een arend. Want  op de hoogte van innerlijke stilte, kan ik, net zoals een biddende Torenvalk, zowel het geheel overzien als het kleinste detail waarnemen.

Een stilte wordt een uitkijkpunt. Een plek waar uitzicht tot inzicht komt, dat wacht om gezien te worden.

 

donderdag 14 mei 2026

Boeken

 Boeken hebben een lading die mij kan overkomen. Nog voor ik het boek open, raakt het iets in mij. Een geur, een trilling van de omslag, een stille lokroep. Een nieuw boek ruikt naar begin, een oud boek naar de schaduwen van het verleden.

 De letters zijn hetzelfde, dezelfde vormen in velerlei combinaties. Het opent  werelden die in mij een bestaan vinden. Letters liggen als zaden in het donker. Engelen in rust. Hun vleugelen gevouwen rondom de woorden, wachten tussen de bladzijden tot ik ze aanraak en tot leven lees.   

Een boek kan jaren zwijgen in een kast. Enkel is de rug met titel zichtbaar. Sommige boeken roepen je nooit. Er zijn er die je beter niet kan binnenlaten. Niet elk boek is voor mij. Niet elk boek mag in mijn binnenste landen.  Woorden kunnen helen. Woorden kunnen misleiden. Het verschil is dun.

Een boek vraagt tijd, mijn innerlijke tijd. Ik moet er rijp voor zijn. De energie van een boek zoekt de mijne en pas dan kan het verhaal beginnen.

 Een boek bezit je niet, je leent het van de schrijver. Het kan mij raken, zoals ik een vogel hoor zingen; het lied is niet van mij. En de vogel evenmin. Maar het opent iets in mij. Ja, boeken zijn als vogels, ik sta erbij stil om te luisteren of ik loop eraan voorbij.

Soms, onverwacht ontmoet ik een boek dat mij kiest. Het opent iets dat ik al lang verlangde, dat ik nog niet eerder had gevoeld. Alsof iets wist dat onze wegen zouden samenkomen.  

 

maandag 20 april 2026

De nabijheid van het licht

 Sluit je ogen een moment. Niet om de wereld buiten te sluiten, maar om de fijnste laag van de wereld binnen te laten.

Er is een stilte die niet van jou is, maar die zich graag met jou verbindt. Een stilte die ademt als licht.

In die stilte beweegt iets. Zacht wiegend. Als een veer die niet valt maar gedragen wordt. Een aanwezigheid die niets vraagt en toch alles opent.

Noem het een engel, noem het stilte. Het is het deel van jou dat al eeuwen weet hoe te luisteren.

Het komt niet naar je toe; het is er al. Jij bent degene die nadert. Je hoeft niets te openen. Het licht vindt zelf waar het naar binnen kan.

Je wordt lichter in het kleinste gebaar, alsof iemand een mantel om je heen legt die je niet hoeft te dragen, maar die jou draagt.

Er is geen boodschap, geen opdracht, geen grootse openbaring. Alleen een zachte richting: wees licht in wat je doet, en doe het bedachtzaam.

De engel werkt niet per se door woorden, maar door jouw gebaren, jouw adem, jouw bereidheid om vriendelijk te zijn.

En terwijl je zo zit, merk je dat de grens tussen jou en die stille aanwezigheid dunner wordt. Alsof jullie elkaar herkennen van vóór dit leven.

Blijf daar even. In dat dunne, lichte veld waar niets hoeft en alles mogelijk is.

Wanneer je straks je ogen opent, gaat de engel niet weg. Je neemt hem mee in de manier waarop je straks je kopje optilt, een deur opent, een naam uitspreekt.

Het licht reist verder in jouw kleine daden. Dat is de hele kunst. En het hele wonder. Dan begint de nabijheid opnieuw.

 

maandag 23 maart 2026

Verliefd

Mooi zijn, een mooi mens zijn, als dat over je gezegd wordt is dat een compliment.

De bloem is mooi. Door de bloem wordt de plant gekend. De knop opent zich, zonder dat daar gereedschap voor nodig is. 
In het scheppingspatroon dat zich al zo vaak herhaald heeft, dat de plant het blindelings doet. De bloem is een moment waarop ze haar energie toont. Een tuinman kiest de plant om  haar bloemen, terwijl de bloem slechts een ademtocht van de plant is.

Zo ook het mooi zijn.

Jij bent  mooi in je vriendelijkheid, wanneer je glimlacht, die al gevoeld wordt voor het verschijnt, wanneer het licht in je opgloeit. Het is als de bloem die openbarst en het moment verandert door haar schoonheid.

Schoonheid  maakt schaduwen zichtbaar.
Lelijkheid is schoonheid die te weinig liefde kreeg.  

Schoonheid vraagt mij de breuken en de barsten aan te raken, niet weg te kijken bij wat scheef is, maar het bestaan ervan te zien. Om in de diepte van de lelijkheid te speuren naar wat er ooit mooi was. Wat is lelijkheid anders dan schoonheid die vergeten is wat het was en bedolven is geraakt onder het puin van het leven?

Schoonheid is jezelf in alles te zien, naar een bloem te kijken tot je erin verdwijnt, tot het vuur ook in jou brandt. Dat vuur dat het hart harder laat kloppen, je helpt je kracht de wereld in te dragen. Het vuur dat ons beweegt om de wereld een betere plek te maken.

Het verblindende en verbindende wat van ons soms onverwacht tot een mooi mens maakt.

Het zit in een bloem, een vogel of een vergezicht.
 Het zit in ons.
                                                           
                            Zo kijk je als je verliefd bent op het leven.

 

vrijdag 20 maart 2026

Aandacht

 Het moment van dit moment, een moment in de nacht in mijn atelier te komen. Ik open de deur, er hangt iets in de ruimte, waarvoor ik hier naar toe gekomen ben. Onzichtbaar maar wel voelbaar. Het brengt me naar het middelpunt. De sfeer bloeit op, langzaam in zachte gloed, waarin ze me haar vertrouwen schenkt. Ik luister naar onhoorbare woorden. De kamer wordt een bloem die opbloeit maar nog niet open is.

 Hoe zou een engel eruit zien? Zijn ogen toereikend om hem te kunnen zien? Of is het hart die haar  waarneemt? Zou ze in een droom te zien zijn? Het verlangen blijft. Het voelt als door hem geroepen te zijn.

 Gedachten worden lichter, licht als de vlam van de  kaars, gedragen door de lont, gewichtsloos en stralend.

 Door hier te zijn verschuift er iets, een gevoel in de ziel, die over liefde wil spreken, over de schoonheid die overal in schuilt. Schoonheid die onthult wordt door aandacht.


                                          Wie schoonheid wil, worde het.

 

 

donderdag 12 maart 2026

Wind

Het is een sterloze nacht. Wolken belemmeren het zicht op de sterren. Sterren waartussen de Aarde beweegt. Een bijna nietig onderdeel van het geheel. Onveranderlijk in hun bestaan en toch voortdurend in beweging, in een zee van ruimte. De Aarde is anders dan alles wat ons omgeeft. Levendiger.

 Binnen de dunne huid van lucht die ons omsluit, adem ik dezelfde lucht als alles wat leeft. Vogels, bomen, mensen… allemaal “opgesloten”, of is het woord “omsloten” passender?  in dezelfde dampkring van licht, water en zonlicht. Een wereld die uit één gedeelde ademhaling bestaat.

 De adem van de wind draagt een losgeraakt zaad. Het dwarrelt omlaag naar wat lijkt, een willekeurige plek.  Daar waar het  valt, schiet het wortel  en vind het zijn levenslange bestemming. De aarde beslist of het welkom is. Het zaad kiest niet, het volgt wat het overkomt.

 Zo ook mijn keuzes, gedachten die dralen, woorden die zoeken, als op de wind gedragen naar nog onbekende bestemming. Een richting op die ik pas later begrijp.

 Wat in mij kiemt, toont vanzelf of het kan groeien. Elke keuze heeft een oorsprong, een beweging die haar in gang zet, vaak eerder dan ik doorheb.

 De sterren blijven nog verborgen achter wolken, net als de krachten die mij bewegen en richting geven waar ik ga en sta.

 

woensdag 4 maart 2026

Lot

Twee kaarsen aangestoken met één lucifer. De lucifer, een verkoold streepje heeft zijn taak volbracht. Het licht, zacht en rond, een koepel als een eiland in de donkere kamer. Buiten in een bubbel van het licht van een lantaarnpaal, draaien twee katten om elkaar heen. De ene loopt de ene en de andere de andere kant op, uit het licht het donker in.

In het boekje zit ook de schrijver bij kaarslicht om zijn nachtelijk moment te verlichten. Door het open raam bij hem vliegt een vlinder naar binnen, door het licht van de kaarsvlam aangetrokken. Waar verlangen en gevaar elkaar verblinden. De vlam wijkt niet. De vlinder vliegt in de vlam. Verbrand de tere vleugels en het vege lijf. Het licht dan hem aantrok, werd zijn noodlot.

De vlam heeft daaraan geen schuld, net zomin het van deze vlinder is. Het licht dat aantrok, verborg een vuur. Een vuur dat beloofd en waarschuwt.

Het licht, niet aangestoken om het noodlot voor deze vlinder te bepalen. Het was wat gebeurde. Gebeurde in het boek, een gebeurtenis die de schrijver deelt en betreurd. En ik met hem.

dinsdag 3 maart 2026

IK

Het is kwart over vijf. De nacht houdt zich nog even vast, maar het eerste grijs gloort al achter de horizon. Alles ademt, zowel wat nog slaapt als die nu wakker zijn. Een zingende Merel, een heraut die de dag aankondigt. De bomen worden fluisterend wakker en herinneren zich dat ze bestaan. De dag probeert al te worden.

Ik lees. De woorden zijn bewegingsloos, maar brengen iets in beweging. Dat wat ik lees ook mij leest. Je uitnodigt dieper te lezen tussen de woorden en de regels. Het IK klinkt anders, ruimer, of er iemand meekijkt van binnen uit. De woorden wachten. Ik lees langzaam, om niet alleen de woorden, maar ook hun herkomst te ontdekken.  

Ik zit hier. Het woord IK blijft groeien. Het is niet alleen meer van mij. Alsof het vruchtvlees is geworden dat aan het rijpen is. Wortels heeft gekregen om de diepte in te gaan. Daar onbekende schatten zoekt.

Het is het IK dat voortgekomen is uit liefde. Een grenzeloos IK, zoals God zich ook IK noemt, zeg ik ook Ik. En groei van kind naar een man die zichzelf bewust is van het leven door zich IK te noemen.

In het IK zit de wortel van het zelf, dat zich vasthecht aan het bestaan. Wie het geheim van het IK kent, kent de geheimen van zijn leven. De hemel die geeft, die vangt die heeft. Vang het op.

 

 

vrijdag 27 februari 2026

Organen

 Het is stil in mijn hoofd. Wat ik gelezen heb, opent  een deur naar een ruimte zonder muren. De sterren fonkelen als mijn gedachten, ver weg buiten bereik.

In het boek gaat het over de organen, het hart, de longen, de lever en de nieren. Organen die zonder mijn bemoeienis functioneren.

 Mijn gedachten maken een omweg naar de deur, of die wel op slot is gedraaid, toen we gingen slapen?  Het neemt me in beslag en ik kan beter even controleren. De deur klikt in het slot en ik ga weer naar boven.  De deuren op slot, een gewoonte of een angst?  We sluiten ons op als we gaan slapen.

 Als ik weer naar boven ga ontsteek ik de kaarsen weer opnieuw. Het voelt alsof dit moment verstoord is, maar ga toch verder… Mijn hart zoekt verder. Het hart, zo lees ik, is helder als zuiver kwarts.  Dat iets weerspiegelt waar ik woorden voor zoek.  Een  vuur om miljoenen zonnen in vlam te kunnen zetten. Toch zijn er weinigen die deze kracht van het hart willen leren kennen.

 De longen in het ritme van de ademhaling zijn als vleugels, die hoewel ze niet kunnen vliegen, je over de zee van het leven tillen. In het licht dat rondgaat in de organen huist de geestelijke kracht van mijn lichaam.  De organen ademen zonder haast hun eigen wijsheid, waar het licht van binnenuit komt.

 

zaterdag 21 februari 2026

Hoofd en Hart

 Tegen het raam fladdert een motje met felle vleugelslagen, aangetrokken door het licht waarbij ik lees. Een klein lichaam dat het licht zoekt, maar de glazen grens niet kent. Een engel heeft iets vlinderachtigs en net als het motje aangetrokken wordt door het licht. Ik doe de lamp  uit, om het vlindertje los te laten van het licht.

Op de vensterbanken staan de kweekbakken. Donkere aarde met kiemende zaden, waarin bloemen wachten op de zomer die nog  niet begonnen is. Bloemen in geuren en kleuren. Geur, zo lees ik, is de uitbarsting van leven. En het gaat verder: ik maak van je hersenen een bloem dat zich opent voor de hemel om lichtgedachten op te vangen. Het hoofd als een bloem die stil opengaat.

  De hersenen als een geurende bloem, dat insecten aantrekt om de bloem te bevruchten. Een aanraking die iets in beweging zet, een korrel op de stamper, een gedachte in het hoofd.  Ik ben verantwoordelijk voor het bestuiven van deze bloem die baadt in een vloeibare droom, beschermt door de schelp van mijn schedel.

 Het is aan mij de keus om van mijn hersenen een zonnebloem, of een bloem van de nacht te maken. Beide kennen hun eigen waarheid.

  Hoofd en hart, twee kamers waar iets binnenkomt en weer vertrekt. Daar waar God komt en gaat, God in mijn adem. In en uit, het komt binnen door de longen en in het bloed. Het bezielende bloed dat zijn weg vindt.  Het hart, de ster van je geboorte, dat schittert op elke klop en elke ademtocht. Hoofd en hart, de stille krachten in mij.

 


vrijdag 20 februari 2026

Stil

 Door stil te zijn zie je meer. Een uitnodiging om langzamer te worden. Ik geef vervolg aan die uitnodiging en steek de kaars aan. Niet zozeer voor het licht, maar om te markeren dat ik hier ben. Stilstaan is de juiste beweging om dieper te zien, wanneer je niet duwt, niet zoekt,  maar eenvoudigweg aanwezig bent. Daar waar de wereld zich anders opent. Dat achter de zichtbare laag een tweede werkelijkheid schuilt.

 Ik merk dat ik die plekken nodig heb. Om beter te horen wat er klinkt.
Ben ik daarom zo graag alleen?  Werkelijk alleen ben ik zelden. Een boom, een dier, een landschap, een mens die je even in de ogen kijkt, alles draagt een vonk die je kan raken.

 Die vonk is de liefde. Geen sentimentele, maar een vuur. Een warm vuur dat brandt op de levenssappen, dat helder maakt dat dof is, die ogen en oren afstemt. Het instrument en het vuur. De kracht die de geest bevrucht, en stil fluistert: Ik ben met je, alle dagen.

 Een belofte, een aanwezigheid. Als een vervuld verlangen.
Een beweging van leven. Te midden van leven dat leven wil. 
                            Iets om bij stil te staan.

 

donderdag 19 februari 2026

Stemvork

Het was al laat dat ik wakker werd, vijf uur. Is het te laat voor het moment dat ik ervoor heb gekozen, tussen drie en vijf?  Even overwoog ik dit uur voorbij te laten gaan, me om te draaien  om verder te slapen. Maar dan toch, een moment waarvoor ik mijzelf uitnodig en me uitgenodigd voel. Alsof ik wordt verwacht.

Ik open de deur naar mijn plek, de kamer is nog donker. Het schrift ligt al open, de pen wacht op de lege bladzijde. De kaars wachtte op zijn vlam, het papier en de pen ontvangen haar licht. Het boek wacht om gelezen te worden. Alles staat klaar en ik ben aanwezig, maar niet alleen. Er fluistert iets onzichtbaars, maar aanwezig genoeg om op af te stemmen.

De woorden uit het boek, de pen in mijn hand. Verwachtingsvol. De woorden resoneren om er nieuwe woorden uit te schrijven. De nacht hangt nog  om me heen. Buiten draagt de lucht al iets van de ochtend, maar nog kleurloos: The morning breeze has secrets to tell.

Als ik luister, stem ik me af, alsof een stemvork aangeslagen wordt en de trilling ervan mijn innerlijke beweegt. Woorden krijgen een helderheid die niet alleen van mij zijn. Elk woord is een instrument en tezamen klinken ze als in een orkest .

Het ritueel van dit moment, de elementen van het boek, de kaars, het schrift en de pen.  Dan wordt een helderheid voelbaar op dit uur zonder afleidingen. Ik prijs me gelukkig toch uit bed gekomen te zijn. Mijn vingertoppen dragen de pen, die de woorden vertolken die uit  gedachten vloeien, woorden van mij en woorden die zijn ingegeven. Het vertaalt zich, het zoekt een weg door mij heen.

 

maandag 16 februari 2026

Hoogte en diepte

Voel de diepte in mezelf, een diepte die tegelijk een hoogte is. Mijn lichaam reageert als ik aan de rand sta, een huivering van hoogtevrees. Geest en lichaam houden elkaar vast. Een vrees die ik met mijn lichaam voel, waar lichaam en geest elkaar raken op de plek waar ik kijk.

 Het voelt als een druppel die valt en uiteen spat, verdampt en weer opstijgt, een kringloop die door mij heen beweegt.  In mijn adem leeft de levensadem van alle tijden, ouder dan ik ben. Het instrument dat mij bruikbaar maakt voor het leven.
In elke hartslag waarin de echo klinkt: je leeft, je draagt iets groters met je mee. Iets wat ik nog niet helemaal bevatten kan. Ik deins terug voor wat te groot, te hoog, te diep lijkt, maar keer ernaar terug, want zonder kan ik niet leven.

 Het is de essentie van alles, alles wat adem heeft, verbindt zich in deze gedachte. De ruimte in mij is hoog en diep tegelijk. Zoals de Aarde haar laagste punt in de zee bewaart en haar hoogste op het land. De diepte en de hoogte in mij is de ruimte die zich vult met mij. Daartussen beweegt alles wat ik ben. Kan ik dieper reiken en hoger gaan?

 Het klinkt als wartaal zo de woorden te formuleren, met de pen op het papier ze te laten ontstaan? Het maant me tot geduld het aan te durven. Wees geduldig om het aan te durven, voor de vrees die ik heb voor diepten en hoogtes.  
Ik fluister: O engel, leen me je vleugels.

  

zaterdag 14 februari 2026

Bloemen van het heelal

 Vanachter mijn zolderraam, met uitzicht op het eindeloze, zit daar een klein stukje van de Maan en fonkelende sterren prikken diepte in de zwarte leegte. Meer dan ik me kan beseffen en groter dan in mijn gedachten past.

Langs de rand van de Maan gleed een vallende ster in een dun spoor van licht, snel,  bijna verlegen en zo weer verdwenen. Zou iemand anders dit ook hebben gezien, of was het een voorrecht dat alleen mij is toegevallen. Een knipoog uit het heelal. Zoals een dier op je pad kruist tijdens een wandeling, een vlug oogcontact, een stille erkenning en dan al weer afscheid. Je zou meer willen, maar het voelt toch als genoeg, een ontmoeting als een vallende ster.

De sterren als bloemen van het heelal, zonder grond om in te wortelen, zweven ze in de oneindige leegte, vastgehouden in hun banen door een onzichtbare zwaartekracht, draaien ze in eeuwigheden rond en om elkaar. Een kosmische tuin van het heelal, vol met ontelbare schatten waarvan de fonkelingen de Aarde bereiken. Hoe langer je kijkt, hoe meer er zich vertonen. Of is het dat wie wil kijken er meer te zien krijgt? Sterren en sterrenbeelden waarin ons lot lijkt te fluisteren met de stem van het universum.

Ik merk bij mij dat de gedachten eraan mijn geest zich opent, zoals een bloemknop waarin bloemblaadjes als tere blaadjes van inzicht, nog dicht bij elkaar, maar vol beloften, op het punt staan zich te ontvouwen. Gedachten die woorden worden en als het sap door de stengel omhoog gezogen wordt, vanuit diepten zich bewegen door de plant, om de bladeren, de stengels en soms ook doornen, vorm te geven uit de rijkdommen die het sap met zich meevoert.

Er is maar één aanraking nodig. Van een ster, een bloem, een stilte of juist een geluid. Er springt iets open. Ontluikt. Komt in beweging. Elk woord draagt een druppel licht dat als een dauwdruppel het ochtendlicht weerkaatst. Woorden geschreven of gesproken van nu voor later, wachtend tot iemand het leest of hoort. De reis van woorden die hun weg in de wereld zoeken  en ergens hun bestemming vinden. Misschien komen ze ergens aan.  Misschien wel bij jou!

 

zondag 8 februari 2026

Essentie

 De Maan neemt af. De volle gloed van verleden week laat elke nacht een klein stukje los. Het schemerlicht hangt als een dunne sluier in de nacht.

In het boekje lees ik over engelen die in bloemen wonen. Alsof het vanzelfsprekend is, bijna terloops zo genoemd. Toch verandert er iets door het zo te benoemen. Een stille verandering die plaatsvind en de betekenis ervan kleurt.

De aarde waaruit de plant ontspruit, de bloem die eruit ontluikt. Het vormloze heeft uit de diepte vorm gekregen.

Als de knop zich opent, beweegt het in kleur en opent zich in geur. Een trilling nauwelijks voelbaar, maar genoeg om bijen en vlinders uit te nodigen en aan mij om toe te kijken.

Een stille uitnodiging om aan de bloem te ruiken. Er stroomt iets bij mij naar binnen, meer dan een geur, het is de essentie ervan, een aanwezigheid.  Zonder zichtbaar te worden. Een verschijning van iets dat door en van engelen is gemaakt, of is het een engel?

Het blijft aan de oppervlakte, alsof het meerdere dieper ligt, wachtend op een ander moment. Dit is voor mij, voor nu even genoeg. Meer zou de droom kunnen verbreken.

 

dinsdag 3 februari 2026

Zaad

 De kweekbakken op de vensterbanken. Met zaden werken herinnert mij eraan dat er weinig nodig is om te beginnen. Een bak vol potgrond, zaad, licht, water, wat warmte en een beetje vertrouwen.

Elk zaad een onbeduidende korrel, met nauwelijks gewicht wordt vermengd met de grond. Dat wat je in de grond stopt is vaak iets waar afscheid van wordt genomen, maar dit is begraven om iets te verwelkomen. Het zaad dat weet en de grond die dit weten ontwaakt. Ik had kunnen stoppen met zaaien, in ongeloofwaardigheid dat het onmogelijk zou zijn, maar dan toch in een vertrouwen dat het zaad tot wonderen in staat is, zaai ik het zaad.

Maar voor nu blijft de aarde gesloten, mij toch met een twijfel laat kijken naar de grond, waar schijnbaar iets beweegt maar nog verborgen blijft onder het oppervlak. Dat daar iets in het donker werkt. Het zaad dat zijn eigen weg kent, zelfs als ik het niet kan volgen.

 Op de verpakking van het zaad staat de afbeelding van de plant met kleurrijke bloemen. Wonderlijk dat in elke korrel al de eigenschappen van die plant er ergens minuscuul klein, te vinden zijn. De vorm van de bladeren de kleur van de bloem, zelfs de geur, het alles ligt  in het zaad te sluimeren.

De eerste dag, en nog vele dagen erna, is er niets te zien, toch kijk ik iedere dag. Ik wacht. Misschien is dat wat een tuinman doet: wachten tot het wonder zich vertoont. Ergens in mij is een eigen stil geheim dat ook wil ontkiemen, maar zijn tijd kiest. Misschien is dat wat de natuur ons leert; dat niets gedwongen hoeft te worden, dat alles zijn tijd kent. Het is genoeg aanwezig te zijn, zoals de grond ruimte laat voor de wortels die nog moeten komen.  

zondag 1 februari 2026

Gouderts

 Ik strijk een lucifer aan. Een lichte zwavelgeur, scherp en vluchtig, de ontstane vlam gaat over op de lont van de kaars. De vlam wiebelt even, het moet wennen aan zijn vernieuwde bestaan en vindt dan zijn vorm. Een licht dat de kamer verstild en rondom donker.  De buitenwereld lost op en je merkt dat je binnen bent. Een leegte vol verwachting. Laat het gebeuren.

Het boekje leest over een steen, een klomp gouderts, een ruwe steen met goud daarin versmolten als de kracht van God in mij…mijn gedachten dwalen en brengen me naar mijn schrift. De ruimte vult zich met een zachte gloed. De hitte raakt het erts, er smelt iets in mij. Alsof er iets gezegd wordt dat niet onuitgesproken wil blijven. Momenten waarin je voelt dat er verborgen goud in je zit. Ik leg  het boekje neer, eerst lezen en dan kijken wat er blijft hangen.

Boven een lege bladzijde wacht mijn pen, verwachtingsvol op wat er gaat komen. Ik strijk met mijn hand over het gladde papier, een gebaar dat ik nooit oversla. Eerst ruimte maken en dan ontvangen. Woorden die stollen op het papier, de inkt die letters vormt om zich voorgoed aan het papier te verbinden.

Ik draag een geheim, zoals ieder het zijne, een geheim dat in de gloed vloeibaar wordt. Een vuur van bewustzijn om het goud uit het erts te delven. Het is je geboortegeheim om je te verwonderen.  In het boekje stond het woord verbazen… maar o, wat houd ik van het woord verwonderen. Het woord dat het wonder in zich herbergt. Verwonderen over het mysterie van het bestaan. De route die ik ga, waar ik vandaan kom, waar ik ben en waar ik zal zijn. Een geheim dat ontsluiert wil worden, als het goud uit de steen. Een licht en een inzicht dat zich verbindt met mijn lichaam en geest.
Dieper nog, met mijn ziel.

vrijdag 30 januari 2026

Schatten

Graaf en graaf, wees als een mijnwerker met je spirituele lamp. Onder de grond beweegt iets. Een trilling, nauwelijks hoorbaar. Weet dat onder de oppervlakte schatten wachten. Verborgen lagen in  de diepte, houden gedachten vast, die wachten om gehoord en gezien te  worden. Diep onder het oppervlak, waar wortels tastend voelen, als vingers die iets kostbaars zoeken. Ze dalen af zonder haast, vinden aders die niemand ziet. Brengt het  naar boven en geeft het aan de plant, om bij de ene een gele bloem en bij de ander een witte bloem  te kleuren. Niemand legt het uit. Het gebeurt.

 De God in jou wacht dat jij hem met je voetsporen doorkruist. Zo is er een diepte in jou die antwoorden geeft wanneer je erin afdaalt. Schatten die niet glanzen tot jij ze aanraakt. Krachten die pas stromen wanneer jij ze in beweging brengt.

 Alles wacht tot jij je diepte durft te betreden, met aandacht, om er te vinden wat er altijd al was. In de stilte, een zin uit een boek, een oogcontact met een dier,  een gesprek. Aanrakingen die binnenin een mineraal doet oplichten. Schatten die niet uit zichzelf naar boven kunnen komen. Die door aandacht, je de stappen er toe zet, met de bereidheid om dieper te gaan.

 Graaf en tast als wortels de diepte in om de aderen bloot te leggen, die met haar geestelijke schatten, jouw rijkdommen verschaffen. De kristallen, de mineralen, de metalen die als een geestelijke waarde gedolven worden. Onder al die lagen wacht een aanwezigheid die je roept in het verlangen dat je komt.

 

 

donderdag 29 januari 2026

Warmte

Het ritme van licht en schaduw beweegt door de ruimte. Twee kaarsen creëren een bubbel licht. Het vertraagt de tijd. Ik zoek in dat zacht fluwelen schijnsel iets wat ik niet kan zien, maar wat wel aanwezig is; mijn engel? Of de fluistering van mijn eigen gedachten. Soms denk ik het me te verbeelden. Maar er gebeurt iets. Woorden die ik lees, woorden die zich in mij het vormloze vorm geeft.

Alsof een gedachte zich aandient die niet helemaal van mij is, maar wel door mij heen wil komen. Kwetsbaar, fragiel iets dat tijd nodig heeft. 

Ik koester die gedachten zoals een vogel haar eieren warm houdt, ergens op een verborgen plek. Met haar warmte de dunne schalen waarbinnen het leven vormt, levensvatbaarheid te geven. Aanwezig zijn, wachten, vertrouwen dat het van binnenuit tot leven komt, met het karakter en de eigenschappen van de geest waaruit ze voortkomt en ook zo eigen en uniek is. 

De magie, dat alles met elkaar in verbinding staat, dat iets in mijn leven de ruimte kent en het opslaat om op onverwachte momenten uit de schaal te breken. Dat er iets vormloos door ons heen beweegt en een spoor achterlaat. Dat in het licht en de stilte er een ontmoeting kan zijn. Niet als bewijs van iets bovennatuurlijks, maar in het alledaagse dat er ruimte te openen is in jezelf om dat leven door je te laten stromen. 

woensdag 28 januari 2026

Licht

 In dit nachtelijk uur is het huis stilgevallen. Een stilte waar een aanwezigheid wacht. Ik kom er om te luisteren, een moment te verblijven in de onzichtbare aanwezigheid. Een tastbare aanwezigheid, zijn de twee vlammen op de kaarsen die zacht bewegen bij een geringe zucht, terwijl het kaarsvet in een niets verteerd.

 Het licht valt op het kleine boekje voor me. Met mijn eigen stem vertolk ik de woorden die in de klank een glans  lijken te krijgen.  Ik lees langzaam. De woorden openen zich als druppels licht die bij me naar binnen vloeien. Iets warms trekt door mijn borst.

 Er is geen aanraking, geen geluid.  Enkel een ritme dat van binnenuit mijn aandacht meeneemt. Zacht en gelijkmatig, alsof het me herinnert aan iets wat ik diep van binnen  weet, en er met elke hartenklop het levensbloed door mijn leven pompt.

 Mijn pen raakt het papier. Woorden komen moeiteloos, alsof ze op me wachtte. Het licht beweegt mee in de inkt en zoekt zich een weg naar buiten. Er gebeurt iets, een snaar wordt geraakt. De snaar die de ziel beroert. 

maandag 26 januari 2026

Zonneklank

Weet je eigenlijk wel wat een zonneklank is? Het is een klank, een woord van licht. Een trilling die uit je geest opklinkt en wat donker is aanraakt en verheldert. Wat een prachtig rijk woord, wat een diepe betekenis: zonneklank. Een weerschijn van licht die uit je innerlijk als een gouden draad door je weefsel straalt. In het woord schuilt een belofte dat zelfs het diepste donker een open deur naar helderheid kan zijn.

 Wanneer je zo’n woord krijgt toevertrouwd en het je eigen kan maken door de Zon in je klank, in je woord en in je wezen te laten schijnen, om wat donker is er te verlichten.  Die vormen aan je persoonlijkheid aanbrengen die je een verschijning van licht doet maken.

Een persoonlijkheid op doorreis, die niet naar een bloem kan kijken zonder haar essentie te laten  samenvloeien met de zijne. Zo met het leven en al zijn vormen in aanraking te komen, niet alleen met de handen, maar ook met de ogen en je oren, je gevoel en je intuïtie. Daarmee de zonneklank door te laten klinken in een zuiver gevoel. Je gedachten als gebeden op te zenden en als licht bij je terug te laten komen.

De engel licht op…
‘ Sta op wordt verlicht…en uw licht komt en het Shekina  zal over u opgaan.”

En zo begon deze dag, met een woord dat diepte en reikwijdte heeft: Zonneklank. Om in elk seizoen, in elke schaduw, de zon opnieuw te laten schijnen.

 

woensdag 21 januari 2026

Zonlicht

 De vreugde is een reserve voorraad zonlicht die je in jezelf hebt opgeslagen. Zonlicht heeft twee aspecten: licht en warmte. Licht om bij te kunnen zien en warmte om te voelen en in te koesteren. Een helderheid om je het begrip van het leven bij te brengen en je te herinneren aan de momenten, vooral als je deze momenten nodig hebt, omdat er op dat moment misschien geen redenen zijn voor de vreugde.

 Het is als een boom die zijn bladeren in de herfst verliest, maar op de kale wordende taken zitten de knoppen waarin het nieuw blad sluimert ,sluimerende beloftes gevuld met licht en toekomst. Het nieuwe blad voor een nieuw seizoen. Het afgevallen blad dat de voedingsstoffen teruggeeft aan de stam van de boom, maar ook nog omringende planten te voeden. Het is een systeem, een kringloop, die ook jouw vreugde voortzet en in stand houdt. Het zonlicht waar de kale takken van de boom in koestert, dragen kennis in zich en weet wanneer het kan openbarsten. Te zijner tijd.

 Vreugde en liefde zijn de krachten van de zonnestralen, zonlicht dat als een reserve voorraad opgeslagen ligt in de dichtgevouwen knoppen. Klaar om te ontvouwen wanneer het leven opnieuw lente durft te worden.

Het is meer dan de winterse kale takken. Een wijsheid die in de knoppen ligt opgeslagen en weet, weet wanneer dat is. De verborgen kracht in knoppen, door het leven gedreven, knoppen die ontluiken in het zonlicht en door het zonlicht, in de lente.  

 Het groen van de nieuwe bladeren zullen een seizoen meegaan. Koester de reserve voorraad zonlicht die je in jezelf hebt opgeslagen en beleef de lente in je leven. Licht en leven in volle overvloed. Een stille kracht, nauwelijks merkbaar, altijd aanwezig onder de oppervlakte, om in momenten van stilte en verwondering gevoeld te worden, als het zachte ritselen van bladeren door de wind gestreeld.

dinsdag 20 januari 2026

Tranen

Waar smaakt de ziel naar?  Tranen zijn zout en de ziel smaakt naar suiker. Waarom suiker? Omdat de smaak van suiker het goede heeft, het zachte goede dat in ieder mens verborgen ligt, terwijl zout de smaak van kracht bewaard. Tranen zijn zout. Zout als de zee en herinnert ons aan de kracht van onze diepten. Tranen van verdriet die bijten als zout in de ogen, want ze komen waar het hart is aangeraakt door verlies en verlangen.

  Vreugdetranen, zo wordt me verteld, zijn als dauw ,ochtenddauw, druppels die niet  vallen, maar stil over de wangen glijden, alsof de ziel naar buiten komt. Zout en zoet, twee smaken van dezelfde liefde, dichtbij jezelf en dichtbij de ander.

 Dichtbij om de geur van de huid te ruiken, de warmte van de handen te voelen. De harten in hetzelfde ritme laten kloppen in een omhelzing. Kloppende harten waar het zout en het zoet samenkomen en het door je lijf pompen. Voel het vuur dat het daar verspreidt. Geen alles verterend vuur, maar een verhelderende zee van licht. Reuk en smaak zijn er die elkaar versterken, met de kracht van zout en het goede van de suiker.  Hoe beide je laten voelen wat liefde werkelijk doet, je openen, je raken, je te laten leven.

 

maandag 19 januari 2026

Verdriet

Het verdriet doet me voelen. Het doet pijn iets kwijt te zijn en achter te blijven met alleen  de herinneringen. Niet elke pijn is hetzelfde, niet elk verdriet is dat ook. Toen mijn hond stierf had ik verdriet,  rauw, intens verdriet.

 Na ruim een jaar, is de gedachte aan dat verdriet wat me kan overvallen. Dan breekt er iets open en doet het me in diep snikken uit uitbarsten, die ik in golven door mijn lichaam voel schokken. Het was er voor een moment, het maakte me klein in de afwezigheid van wat ik mis en toch ook iets grootst, hoe groot dat gemis met mij verweven was. De pijn voelt als een boodschapper.

 Ik las eens: “Op een dag dat ik me terneergeslagen voelde, zweefde er een engel door mijn verdriet en verminderde het”.  Zweefde er ook een engel in mijn verdriet?  Was het de hand van de engel op mijn schouder die ik voelde als het verdriet mij deed snikken?

 Het intieme moment even verbonden te zijn met je verlies, het verlies dat ook mij verloren heeft, dat is en zijn momenten van waarde. Tranen die als parels een moment blinken uit mijn ogen, een kleine omhelzing met wat ooit was en door het verdriet nu nagalmt in een zachte liefhebbende klank:
                                                         Ik hou van jou, jij dierbare van mij.