vrijdag 27 februari 2026

Organen

 Het is stil in mijn hoofd. Wat ik gelezen heb, opent  een deur naar een ruimte zonder muren. De sterren fonkelen als mijn gedachten, ver weg buiten bereik.

In het boek gaat het over de organen, het hart, de longen, de lever en de nieren. Organen die zonder mijn bemoeienis functioneren.

 Mijn gedachten maken een omweg naar de deur, of die wel op slot is gedraaid, toen we gingen slapen?  Het neemt me in beslag en ik kan beter even controleren. De deur klikt in het slot en ik ga weer naar boven.  De deuren op slot, een gewoonte of een angst?  We sluiten ons op als we gaan slapen.

 Als ik weer naar boven ga ontsteek ik de kaarsen weer opnieuw. Het voelt alsof dit moment verstoord is, maar ga toch verder… Mijn hart zoekt verder. Het hart, zo lees ik, is helder als zuiver kwarts.  Dat iets weerspiegelt waar ik woorden voor zoek.  Een  vuur om miljoenen zonnen in vlam te kunnen zetten. Toch zijn er weinigen die deze kracht van het hart willen leren kennen.

 De longen in het ritme van de ademhaling zijn als vleugels, die hoewel ze niet kunnen vliegen, je over de zee van het leven tillen. In het licht dat rondgaat in de organen huist de geestelijke kracht van mijn lichaam.  De organen ademen zonder haast hun eigen wijsheid, waar het licht van binnenuit komt.

 

zaterdag 21 februari 2026

Hoofd en Hart

 Tegen het raam fladdert een motje met felle vleugelslagen, aangetrokken door het licht waarbij ik lees. Een klein lichaam dat het licht zoekt, maar de glazen grens niet kent. Een engel heeft iets vlinderachtigs en net als het motje aangetrokken wordt door het licht. Ik doe de lamp  uit, om het vlindertje los te laten van het licht.

Op de vensterbanken staan de kweekbakken. Donkere aarde met kiemende zaden, waarin bloemen wachten op de zomer die nog  niet begonnen is. Bloemen in geuren en kleuren. Geur, zo lees ik, is de uitbarsting van leven. En het gaat verder: ik maak van je hersenen een bloem dat zich opent voor de hemel om lichtgedachten op te vangen. Het hoofd als een bloem die stil opengaat.

  De hersenen als een geurende bloem, dat insecten aantrekt om de bloem te bevruchten. Een aanraking die iets in beweging zet, een korrel op de stamper, een gedachte in het hoofd.  Ik ben verantwoordelijk voor het bestuiven van deze bloem die baadt in een vloeibare droom, beschermt door de schelp van mijn schedel.

 Het is aan mij de keus om van mijn hersenen een zonnebloem, of een bloem van de nacht te maken. Beide kennen hun eigen waarheid.

  Hoofd en hart, twee kamers waar iets binnenkomt en weer vertrekt. Daar waar God komt en gaat, God in mijn adem. In en uit, het komt binnen door de longen en in het bloed. Het bezielende bloed dat zijn weg vindt.  Het hart, de ster van je geboorte, dat schittert op elke klop en elke ademtocht. Hoofd en hart, de stille krachten in mij.

 


vrijdag 20 februari 2026

Stil

 Door stil te zijn zie je meer. Een uitnodiging om langzamer te worden. Ik geef vervolg aan die uitnodiging en steek de kaars aan. Niet zozeer voor het licht, maar om te markeren dat ik hier ben. Stilstaan is de juiste beweging om dieper te zien, wanneer je niet duwt, niet zoekt,  maar eenvoudigweg aanwezig bent. Daar waar de wereld zich anders opent. Dat achter de zichtbare laag een tweede werkelijkheid schuilt.

 Ik merk dat ik die plekken nodig heb. Om beter te horen wat er klinkt.
Ben ik daarom zo graag alleen?  Werkelijk alleen ben ik zelden. Een boom, een dier, een landschap, een mens die je even in de ogen kijkt, alles draagt een vonk die je kan raken.

 Die vonk is de liefde. Geen sentimentele, maar een vuur. Een warm vuur dat brandt op de levenssappen, dat helder maakt dat dof is, die ogen en oren afstemt. Het instrument en het vuur. De kracht die de geest bevrucht, en stil fluistert: Ik ben met je, alle dagen.

 Een belofte, een aanwezigheid. Als een vervuld verlangen.
Een beweging van leven. Te midden van leven dat leven wil. 
                            Iets om bij stil te staan.

 

donderdag 19 februari 2026

Stemvork

Het was al laat dat ik wakker werd, vijf uur. Is het te laat voor het moment dat ik ervoor heb gekozen, tussen drie en vijf?  Even overwoog ik dit uur voorbij te laten gaan, me om te draaien  om verder te slapen. Maar dan toch, een moment waarvoor ik mijzelf uitnodig en me uitgenodigd voel. Alsof ik wordt verwacht.

Ik open de deur naar mijn plek, de kamer is nog donker. Het schrift ligt al open, de pen wacht op de lege bladzijde. De kaars wachtte op zijn vlam, het papier en de pen ontvangen haar licht. Het boek wacht om gelezen te worden. Alles staat klaar en ik ben aanwezig, maar niet alleen. Er fluistert iets onzichtbaars, maar aanwezig genoeg om op af te stemmen.

De woorden uit het boek, de pen in mijn hand. Verwachtingsvol. De woorden resoneren om er nieuwe woorden uit te schrijven. De nacht hangt nog  om me heen. Buiten draagt de lucht al iets van de ochtend, maar nog kleurloos: The morning breeze has secrets to tell.

Als ik luister, stem ik me af, alsof een stemvork aangeslagen wordt en de trilling ervan mijn innerlijke beweegt. Woorden krijgen een helderheid die niet alleen van mij zijn. Elk woord is een instrument en tezamen klinken ze als in een orkest .

Het ritueel van dit moment, de elementen van het boek, de kaars, het schrift en de pen.  Dan wordt een helderheid voelbaar op dit uur zonder afleidingen. Ik prijs me gelukkig toch uit bed gekomen te zijn. Mijn vingertoppen dragen de pen, die de woorden vertolken die uit  gedachten vloeien, woorden van mij en woorden die zijn ingegeven. Het vertaalt zich, het zoekt een weg door mij heen.

 

maandag 16 februari 2026

Hoogte en diepte

Voel de diepte in mezelf, een diepte die tegelijk een hoogte is. Mijn lichaam reageert als ik aan de rand sta, een huivering van hoogtevrees. Geest en lichaam houden elkaar vast. Een vrees die ik met mijn lichaam voel, waar lichaam en geest elkaar raken op de plek waar ik kijk.

 Het voelt als een druppel die valt en uiteen spat, verdampt en weer opstijgt, een kringloop die door mij heen beweegt.  In mijn adem leeft de levensadem van alle tijden, ouder dan ik ben. Het instrument dat mij bruikbaar maakt voor het leven.
In elke hartslag waarin de echo klinkt: je leeft, je draagt iets groters met je mee. Iets wat ik nog niet helemaal bevatten kan. Ik deins terug voor wat te groot, te hoog, te diep lijkt, maar keer ernaar terug, want zonder kan ik niet leven.

 Het is de essentie van alles, alles wat adem heeft, verbindt zich in deze gedachte. De ruimte in mij is hoog en diep tegelijk. Zoals de Aarde haar laagste punt in de zee bewaart en haar hoogste op het land. De diepte en de hoogte in mij is de ruimte die zich vult met mij. Daartussen beweegt alles wat ik ben. Kan ik dieper reiken en hoger gaan?

 Het klinkt als wartaal zo de woorden te formuleren, met de pen op het papier ze te laten ontstaan? Het maant me tot geduld het aan te durven. Wees geduldig om het aan te durven, voor de vrees die ik heb voor diepten en hoogtes.  
Ik fluister: O engel, leen me je vleugels.

  

zaterdag 14 februari 2026

Bloemen van het heelal

 Vanachter mijn zolderraam, met uitzicht op het eindeloze, zit daar een klein stukje van de Maan en fonkelende sterren prikken diepte in de zwarte leegte. Meer dan ik me kan beseffen en groter dan in mijn gedachten past.

Langs de rand van de Maan gleed een vallende ster in een dun spoor van licht, snel,  bijna verlegen en zo weer verdwenen. Zou iemand anders dit ook hebben gezien, of was het een voorrecht dat alleen mij is toegevallen. Een knipoog uit het heelal. Zoals een dier op je pad kruist tijdens een wandeling, een vlug oogcontact, een stille erkenning en dan al weer afscheid. Je zou meer willen, maar het voelt toch als genoeg, een ontmoeting als een vallende ster.

De sterren als bloemen van het heelal, zonder grond om in te wortelen, zweven ze in de oneindige leegte, vastgehouden in hun banen door een onzichtbare zwaartekracht, draaien ze in eeuwigheden rond en om elkaar. Een kosmische tuin van het heelal, vol met ontelbare schatten waarvan de fonkelingen de Aarde bereiken. Hoe langer je kijkt, hoe meer er zich vertonen. Of is het dat wie wil kijken er meer te zien krijgt? Sterren en sterrenbeelden waarin ons lot lijkt te fluisteren met de stem van het universum.

Ik merk bij mij dat de gedachten eraan mijn geest zich opent, zoals een bloemknop waarin bloemblaadjes als tere blaadjes van inzicht, nog dicht bij elkaar, maar vol beloften, op het punt staan zich te ontvouwen. Gedachten die woorden worden en als het sap door de stengel omhoog gezogen wordt, vanuit diepten zich bewegen door de plant, om de bladeren, de stengels en soms ook doornen, vorm te geven uit de rijkdommen die het sap met zich meevoert.

Er is maar één aanraking nodig. Van een ster, een bloem, een stilte of juist een geluid. Er springt iets open. Ontluikt. Komt in beweging. Elk woord draagt een druppel licht dat als een dauwdruppel het ochtendlicht weerkaatst. Woorden geschreven of gesproken van nu voor later, wachtend tot iemand het leest of hoort. De reis van woorden die hun weg in de wereld zoeken  en ergens hun bestemming vinden. Misschien komen ze ergens aan.  Misschien wel bij jou!

 

zondag 8 februari 2026

Essentie

 De Maan neemt af. De volle gloed van verleden week laat elke nacht een klein stukje los. Het schemerlicht hangt als een dunne sluier in de nacht.

In het boekje lees ik over engelen die in bloemen wonen. Alsof het vanzelfsprekend is, bijna terloops zo genoemd. Toch verandert er iets door het zo te benoemen. Een stille verandering die plaatsvind en de betekenis ervan kleurt.

De aarde waaruit de plant ontspruit, de bloem die eruit ontluikt. Het vormloze heeft uit de diepte vorm gekregen.

Als de knop zich opent, beweegt het in kleur en opent zich in geur. Een trilling nauwelijks voelbaar, maar genoeg om bijen en vlinders uit te nodigen en aan mij om toe te kijken.

Een stille uitnodiging om aan de bloem te ruiken. Er stroomt iets bij mij naar binnen, meer dan een geur, het is de essentie ervan, een aanwezigheid.  Zonder zichtbaar te worden. Een verschijning van iets dat door en van engelen is gemaakt, of is het een engel?

Het blijft aan de oppervlakte, alsof het meerdere dieper ligt, wachtend op een ander moment. Dit is voor mij, voor nu even genoeg. Meer zou de droom kunnen verbreken.

 

dinsdag 3 februari 2026

Zaad

 De kweekbakken op de vensterbanken. Met zaden werken herinnert mij eraan dat er weinig nodig is om te beginnen. Een bak vol potgrond, zaad, licht, water, wat warmte en een beetje vertrouwen.

Elk zaad een onbeduidende korrel, met nauwelijks gewicht wordt vermengd met de grond. Dat wat je in de grond stopt is vaak iets waar afscheid van wordt genomen, maar dit is begraven om iets te verwelkomen. Het zaad dat weet en de grond die dit weten ontwaakt. Ik had kunnen stoppen met zaaien, in ongeloofwaardigheid dat het onmogelijk zou zijn, maar dan toch in een vertrouwen dat het zaad tot wonderen in staat is, zaai ik het zaad.

Maar voor nu blijft de aarde gesloten, mij toch met een twijfel laat kijken naar de grond, waar schijnbaar iets beweegt maar nog verborgen blijft onder het oppervlak. Dat daar iets in het donker werkt. Het zaad dat zijn eigen weg kent, zelfs als ik het niet kan volgen.

 Op de verpakking van het zaad staat de afbeelding van de plant met kleurrijke bloemen. Wonderlijk dat in elke korrel al de eigenschappen van die plant er ergens minuscuul klein, te vinden zijn. De vorm van de bladeren de kleur van de bloem, zelfs de geur, het alles ligt  in het zaad te sluimeren.

De eerste dag, en nog vele dagen erna, is er niets te zien, toch kijk ik iedere dag. Ik wacht. Misschien is dat wat een tuinman doet: wachten tot het wonder zich vertoont. Ergens in mij is een eigen stil geheim dat ook wil ontkiemen, maar zijn tijd kiest. Misschien is dat wat de natuur ons leert; dat niets gedwongen hoeft te worden, dat alles zijn tijd kent. Het is genoeg aanwezig te zijn, zoals de grond ruimte laat voor de wortels die nog moeten komen.  

zondag 1 februari 2026

Gouderts

 Ik strijk een lucifer aan. Een lichte zwavelgeur, scherp en vluchtig, de ontstane vlam gaat over op de lont van de kaars. De vlam wiebelt even, het moet wennen aan zijn vernieuwde bestaan en vindt dan zijn vorm. Een licht dat de kamer verstild en rondom donker.  De buitenwereld lost op en je merkt dat je binnen bent. Een leegte vol verwachting. Laat het gebeuren.

Het boekje leest over een steen, een klomp gouderts, een ruwe steen met goud daarin versmolten als de kracht van God in mij…mijn gedachten dwalen en brengen me naar mijn schrift. De ruimte vult zich met een zachte gloed. De hitte raakt het erts, er smelt iets in mij. Alsof er iets gezegd wordt dat niet onuitgesproken wil blijven. Momenten waarin je voelt dat er verborgen goud in je zit. Ik leg  het boekje neer, eerst lezen en dan kijken wat er blijft hangen.

Boven een lege bladzijde wacht mijn pen, verwachtingsvol op wat er gaat komen. Ik strijk met mijn hand over het gladde papier, een gebaar dat ik nooit oversla. Eerst ruimte maken en dan ontvangen. Woorden die stollen op het papier, de inkt die letters vormt om zich voorgoed aan het papier te verbinden.

Ik draag een geheim, zoals ieder het zijne, een geheim dat in de gloed vloeibaar wordt. Een vuur van bewustzijn om het goud uit het erts te delven. Het is je geboortegeheim om je te verwonderen.  In het boekje stond het woord verbazen… maar o, wat houd ik van het woord verwonderen. Het woord dat het wonder in zich herbergt. Verwonderen over het mysterie van het bestaan. De route die ik ga, waar ik vandaan kom, waar ik ben en waar ik zal zijn. Een geheim dat ontsluiert wil worden, als het goud uit de steen. Een licht en een inzicht dat zich verbindt met mijn lichaam en geest.
Dieper nog, met mijn ziel.